CAREL VAN HEES

Na de Academie voor Beeldende Kunsten is Carel van Hees enige jaren werkzaam als fotojournalist voor het Vrije Volk, NRC en Vrij Nederland. Na deze periode werkt hij aan langdurende projecten die naar buiten treden als boeken, films of installaties. In zijn werk zijn fotografie en film nauw verbonden en begint bij willen weten in een poging te doorgronden. De zich herhalende vraag wie we zijn en wat we er van maken is een terugkerende factor in zijn oeuvre.

Een aantal voorbeelden van zijn werk zijn o.a. de boeken ‘Saxman’ (1993) en Saxman Forever (2025) over saxofonist Piet le Blanc. Saxman was ook de naam van een film die hij maakte voor de VPRO (1995). Met het boek >Play, a photographic record (2001) en de gelijknamige film schetst hij een beeld van wat het betekend om jong te zijn aan het eind van de 20e eeuw. In de film 2KM2 bevindt zijn geboortestad Rotterdam op het kruispunt van verleden en toekomst. Het boek en de tentoonstelling ’Eversteijn, bokser / herenkapper 1949-1983’ waren in 2011 te zien in Museum Boijmans Van Beuningen. In opdracht van het Rijksmuseum fotografeert hij in het kader van Document Nederland het onderwijs (2016).
Tijdens de corona periode maakt hij ‘Berichten uit de Hunkerbunker’ (2024) waarin hij zijn mede-stadsbewoners ziet bewegen in het surrealistische decor van een lege stad.

BOEKEN
Saxman (1993)
Weerstand/Resistance (1995)
>PLAY, a photographic record (2001)
Rotterdams Kookboek (2004)
Roteb: Non stop Roteb 1876-2011 (2011)
EVERSTEIJN, bokser / herenkapper, 1949-1983 (2011)
Check-in Check-uit (2016)
100 jaar Rotterdamse Volksuniversiteit (2017)
De Wolfert (2019)
Saxman Forever (2026)

FILMS
Saxman (1995)
>Play (2001)
Week 19 (2003)
Faith (2002)
Don’t Catch My Face (2004)
2KM2 (2008)
Dichter in het Atrium (2020)
Berichten uit de Hunkerbunker (2024)

CONTACT
Carel van Hees
info@carelvanhees.com
+31 (0)6 2454 2763

Instagram
Vimeo

© 2026
Carel van Hees

ALLES IS ENERGIE,
ENERGIE IS ALLES



Dirk van Weelden in gesprek met Carel van Hees.
2024

‘Zit je goed, dottore? Nog een kopje koffie?’

In een snelle beweging schiet Carel van Hees naar het aanrecht en terug, en zet een espresso naast het bordje waar net nog een getoaste snee brood met gerookte zalm en dille op lag. Die heb ik op, en we kunnen aan de slag.

Wat ik al snel doorkreeg als jonge fotograaf, toen ik voor kranten werkte, was dat de rol van fotograaf een fantastisch voertuig is om op plekken en bij mensen te komen, die je anders nooit zo dicht zou naderen. Zo ontstond mijn vriendschap met bokser Cor Eversteijn. Hij was de lokale held, de kampioen, die een come-back maakte na een heroïneverslaving. Hetzelfde gold voor de mensen die leefden met hiv, een project uit het begin van dejaren negentig. Of optrekken met Piet Le Blanc, de oude maestro jazz saxofonist en voor >Play, een project over jong-zijn aan het eind van de 20e eeuw.

Als fotograaf kom je steeds in andere leefwerelden terecht.

Wat natuurlijk de vraag oproept, waar hij dan op uit is. Wat levert alle inspanning op? Waar gaat het om? Het vinden van tijdloze of sublieme schoonheid in beelden, voor aan een muur of op de bladzijden van een boek?

Mijn vader nam me vaak mee naar het toneel en de bioscoop. Daar draaide het om de magie van situaties en beelden en het bleek mogelijk te denken dat wat je zag over àlle mensen ging, over ons. Dat probeerde hij me mee te geven, me te laten zien, en eigenlijk zoek ik dat nog steeds. Een ontmoeting waarin iemand iets van die menselijke energie geeft, zichzelf even laat zien. 

Dat kan je niet afdwingen maar ik zoek het wel op, ik nodig het uit, en soms is het er, een moment van herkenning. Plotseling krijg je contact met een waarheid en kracht. Fotograferen als zoektocht naar inzicht: in welk opzicht zijn de mensen anders dan ik? Hoe zou ik reageren in hun omstandigheden?’

Als je zulke momenten alleen in de schoot geworpen kunt krijgen, wat moet je dan doen? Hoe ga je dan te werk? 

Je onder dompelen met ogen, hart en buik. Kijken met de ogen van een kind, nieuwsgierig zijn. Datgene wat zo vanzelfsprekend is als je jong bent weer proberen terug te veroveren.

Er is veel toeval, de beste foto’s zijn vaak een geschenk. Mijn moeder had een simpele analoge camera, hing op een gegeven moment met tape aanelkaar maar ze had hem altijd bij zich, wilde geen andere. Ze gebruikte de camera volkomen intuïtief, werd niet gehinderd door gouden snede of wetten van de goede kunst. Van de 36 opnames waren er altijd een stuk of drie jaloersmakend goed, ik was er altijd even stil van. Met puur gevoel en een slordigheid die prachtig was maakte ze beelden die op een of andere manier ‘waar’ waren. Het zegt veel over de manier waarop zijzelf in het leven stond, altijd op zoek naar momenten en ontmoetingen die ertoe deden. 

De foto is een observatie, een spoor dat achterblijft van een moment, een ontmoeting tussen mensen. Daar zijn we inmiddels aan gewend maar het is en blijft een wonder. Wat vertelt het beeld over de geleefde situatie waarin het gemaakt is? Ik bedoel niet zozeer de feitelijke context maar wat je de poëtische waarheid van zo’n moment kunt noemen, waarin je de levenslust, overgave of twijfel kunt zien waarmee mensen hun leven leven. Wat je leest in het beeld hoeft niet altijd exact overeen te komen met wat er aan de hand was toen de foto gemaakt werd.

En hoe denkt hij dan over de huidige fotografie? Een foto nemen van mensen in de vrije ruimte is vandaag de dag anders dan in pakweg 1980. En hoe anders kijken mensen tegenwoordig naar foto’s, met in iedere jaszak een camera die foto’s maakt en filmt en met de snelheid van het licht publiceert? Is er geduld en aandacht voor wat fotografen doen? Heeft fotografie nog een stem en wat voeg je toe aan alles wat er al is? 

De veelheid aan beelden die we nu zien bestaat grotendeels uit reclame, gezelligheid en vaak in een vervelend soort esthetiek. Fotografie heeft een stem maar of mensen tijd nemen om dat tot zich te nemen is niet meer vanzelfsprekend. Er is zoveel media om ons heen, alles is beeld en met een druk op een knop is het in de wereld, stupide, intelligent, echt of nep. Maar ook nu worden er prachtige beelden gemaakt, maar je moet gaan zoeken in de veelheid, alles is nu beeld.

Maar je bent ook gaan filmen en installaties maken. Vermoedelijk heb je dus ook de beperkingen van fotografie ervaren. Of is er een andere reden voor?

De kracht van fotografie is dat ene beeld. Het laat veel ruimte voor interpretatie, het verhaal wordt niet expliciet uitgelegd. Een krachtig opzichzelfstaand beeld is niet te verslaan, steeds weer wil je kijken, naar het moment, de verschillende lagen, het besef van tijd en vergankelijkheid.  

Als woorden en mimiek voor de camera gaan dansen kan je een beeld verbreden met tijd, geluiden en stemmen. Film is doorkijken. Het is een dynamisch en rijk medium dat in staat is om een diep en complex verhaal te vertellen, heeft meer narratieve middelen tot zijn beschikking.

Achteraf was het project >Play een opmaat naar film. Toen ik klaar was met fotograferen wilde ik de stad en de mensen ook horen en ging luisteren wat ze mij te vertellen hadden. Ik kocht een kleine recorder en ging terug naar de plekken waar ik met een camera geweest was. De geluiden en stemmen werden samengebracht op een cd met 36 tracks die weer een connectie hadden met de beelden. Fotografie en geluid samen in een projekt, bijna een film.

In het boek Cor Eversteijn bokser | herenkapper 1949-1983, staan mijn foto’s naast foto’s en documenten die gemaakt of verzameld zijn door de familie Eversteijn.

Bram Eversteijn, de vader van Cor en in 1939 ook een Nederlands bokskampioen, is obsessief bezig geweest met het verzamelen van alles wat met zijn zoon te maken had. 

Er zijn kranten- en tijdschriftartikelen en familiefoto’s en dagboekfragmenten die me hielpen om het verhaal te kunnen vertellen over wat Cor dreef en waar zijn energie en vermogen zich lieten zien. 

Het boek bestaat dus uit materiaal van anderen én foto’s die ik maakte gedurende de 8 jaren dat ik met Cor bevriend was. Het externe materiaal, heeft grote waarde in het boek. Zonder het externe materiaal had dit boek niet de waarde gekregen die het nu wel heeft.’ 

In feite gaat het je dus om wat er tussen jouw werk en de toeschouwer gebeurt, die moet meegenomen worden door wat er aan gevoel in je observatie zit.

Ja, ik denk dat dat het streven en de motivatie is van veel kunstenaars.

Met een camera die momenten vertalen die zich in een korte flits openbaren, momenten die ertoe doen, die het leven tonen waar kracht, humor, onvermogen en empathie zich laten zien. Momenten die staan tussen denken en handelen, van niet bewust zijn, noem het tussenmomenten. Je bent even blanco, het is het wit tussen de regels. Daar toont zich iets, al gebeurt er schijnbaar niks. Een opzichzelf teruggeworpen mens, in between thoughts, dat zichzelf vergeten is. Wat laten die momenten zien? 

Momenten waar handeling, moment en plek met elkaar in evenwicht komen. Als dat gebeurt voelt dat als het vinden van een verborgen schat, waarvan je het bestaan niet wist maar die zich na openbaring laat zien en voelen als een stolling van leven, een antwoord op een niet gestelde vraag.

Heb ik het nou goed dat je als fotograaf voortdurend antropologisch veldwerk doet en kijkt naar hoe mensen hun leven spelen, hoe ze zich uitdrukken, maar ook zichzelf verstoppen of uit hun rol vallen?

Als je foto’s maakt is dat een spiegel van degene die de foto maakt. In een poging anderen en jezelf beter te begrijpen en proberen grip te krijgen. De fotograaf als toeschouwer met zijn eigen verleden, verwachtingen en beperkingen. De mens als leidend thema, inclusief vragen als wie we zijn en wat we doen. Het leven vastleggen zoals het voelt en daarom zit er een stuk van jezelf in, het is een wonderlijk proces.

Na een korte stilte, horen we een hondje keffen. Het is een hoog en fanatiek geluid. Na een korte pauze keft hij nog eens, nog langer achter elkaar en met nog meer overtuiging. We lopen naar het openstaande raam. Beneden op een grasveldje, tussen een vaart en een fietspad, staat een lange, massieve man met een zonnebril en een tweed-pet op. Kaarsrecht staat hij met de lijn van het hondje in de hand. Hij draagt een pyjama en een lichtblauwe badjas. Tegenover het hondje, op een afstand van twee meter, staat een uit de kluiten gewassen mantelmeeuw die onbevreesd en arrogant het hondje recht in de ogen kijkt. Het is een duel. De man lijkt de strakke lijn niet op te merken en is doof en blind voor de confrontatie tussen hond en vogel. Hij kijkt door zijn grote zonnebril naar de wolken en geniet van zijn sigaar, een exemplaar van Churchill-achtige afmetingen. Soms is zijn hoofd verdwenen in een stapelwolk van tabaksrook.