ADÈLE
2014
Omdat ik een wees ben, kan ik me niet herinneren dat ik na mijn geboorte een naam had.
Er is een boekje waarin staat dat ik in 2012 in Madrid geboren ben. Daar ben ik wel trots op, het land van Picasso, Penelope Cruz en Luis Buñuel. Mijn vader heb ik nooit gekend en van mijn moeder kan ik me vaag herinneren dat ze een lik over mijn snuit gaf maar haar daarna nooit niet gezien heb.
Erg lang heb ik er niet gewoond. Ik leefde op straat en in mijn beste Spaans kan ik zeggen, het was ‘una lucha por sobrevivir’; iets aanhankelijks heb ik daar wel aan overgehouden. Een jong stel uit Nederland hebben me meegenomen. Ze waren lief voor me en ik kreeg goed te eten maar zat wel een groot deel van de dag in een hok. Dat duurde niet lang want een mevrouw en twee meisjes namen me mee naar Rotterdam.
Ik ging toen wonen aan de Heemraadssingel, in een fijn huis met verdiepingen en een tuin. Die singel voor de deur is te gek, vol met zwanen, reigers en eenden. De statige bomen met hun zwaaiende takken buigen soms zover voorover dat het voelt alsof ze me willen pakken. In dat huis aan de Singel woonden toen ook nog Loef en Wolf. Contact maken met mij was niet hun prioriteit. Ze hadden het over het 1e-bewonersrecht en dat ik me moest gedragen. Nogal arrogant vond ik dat maar inmiddels zijn ze in de hemel en over de doden niets dan goeds. Af en toe blaf ik op de plek waar we ze begraven hebben.
Mijn bazen gaan elke dag meerde keren met me uit maar nooit genoeg naar mijn zin. Ik praat er veel over met mijn vrienden maar we schikken ons, wat kunnen we anders. Het liefst zou ik de hele dag buiten zijn, een beetje rondhangen, spelen met mijn vrienden en vogels opjagen.
Met Cybil, Agnes, Charlie en Luna heb ik goed contact maar als ik Bo tegenkom kan mijn dag niet meer stuk. Die is zó cool, ze ruikt altijd lekker en is bijna net zo snel als ik. Als wij gaan rennen dan zie je mensen echt kijken, kicken is dat. Ik ben de snelste in West, ja dat is echt zo.
Als ik een onbekende hond tegenkom weet ik vaak al vanaf een afstand of het wat kan worden of niet. ‘Gebruik je intuïtie’, zeg ik vaak tegen mijn vrienden. Soms schat je het verkeerd in en dan is het ff grommen, c’est la vie. Voor zwanen moet je uitkijken, ik blaf wat tegen ze maar van een afstand en met respect.
Na al die jaren kan ik nog steeds oprecht verbaasd zijn over dingen die ik zie en hoor als ik buiten ben. Hoe dingen ineens samenkomen of dat je plotseling iets bijzonders ziet in iets waar je al honderd keer aan voorbijgelopen bent.
Mijn baas kan soms lang naar een boom kijken of naar kroos dat zich langzaam sluit. Ik snap dat, hij vraagt zich dan af of het mooi genoeg is om er een foto van te maken. Soms zitten we samen op een bankje een beetje voor ons uit te kijken, er is altijd wel wat te zien. Hij praat dan met me en kriebelt een beetje in mijn nek, je hebt maar weinig nodig om gelukkig te zijn.
Ik weet niet goed waar het ooit begonnen is maar ik ben gek op kinderen, onweerstaanbaar zijn ze. Misschien is het wel omdat ze klein zijn. Als ik een kind zie maakt ik me ook klein en schudt met de achterkant van mijn lijf, kwispel met mijn staart en laat mijn ogen rollen. Ik zet alles in om de kinderen te overtuigen van goede bedoelingen.
Toen ik nog maar net in Holland was wist ik niet wat gevaar was. Ook toen niet, op die vroege ochtend in de lente. Er speelden kinderen aan de overkant van de straat en ik aarzelde geen moment en rende naar ze toe. Die auto zag ik niet. Ik hoorde mijn baas mijn naam roepen maar ik moest naar die kinderen, niets hield me tegen. Op het allerlaatste moment werd ik me bewust iets groots en gebruikte mijn vier voeten als remijzers en gooide mijn lichaam opzij. Achteraf was dat een goeie zet want daardoor kwam alleen mijn kont in contact kwam met een auto. In een gebroken draf liep ik terug naar de baas die me opving en me in zijn armen nam. Suf en geschrokken heb ik een dag liggen slapen op de bank. Ik ben er wel een week stil van geweest en zelfs Loef en Wolf hadden in de gaten dat er iets ernstigs gebeurd was.
Waar nu de Heemraadssingel ligt, was rond 1850 een weiland met koeien. De weilanden maakten deel uit van de in 1925 opgegeven Coolse Polder. Op de plaats waar nu de Middellandstraat en de Vierambachtstraat liggen, liep een sloot, de Middel Watering.
Al in 1454 liep een weg dwars door de polder, de Coolseweg, Coolse Binnenweg of Binnenweg genoemd. Aan de Beukelsdijk lagen boerderijen.
De Heemraadssingel is ontstaan rond 1887, als geesteskind van G.J. de Jongh, directeur van Gemeentewerken Rotterdam. De Singel wordt tussen 1893 en 1926 in gedeelten gegraven en bebouwd. Rond 1900 tot aan de Coolsche Binnenweg (nu Robert Fruinstraat en C.P. Tielestraat ) Daarna tot aan de Middellandstraat en vanaf 1916 tot aan de Beukelsdijk.
In totaal is er 30 jaar aan de Heemraadssingel gebouwd. Gedurende de bouwperiode is er wisselend gedacht over de aanleg van de singel en de daaraan te bouwen woonhuizen. Dit heeft er niet alleen toe geleid dat de verschillende delen van de Singel in breedte verschillen, maar ook dat er huizen van zeer verschillende aard en omvang zijn gebouwd
De Heemraadssingel loopt van de Beukelsdijk tot aan de Rochussenstraat en gold als schoolvoorbeeld van wat beschaafd was. De Singel was breed en statig en lag te blinken in het licht. Ze werd aangelegd in een gemengde tuinstijl. Daarbij werden de romantische elementen van de Engelse landschapsstijl gemengd met in geometrische patronen aangelegde bloemen- of rozentuinen en soms ook met kleine recreatieparken.
Er staan meer dan 600 bomen op de Singel in 50 verschillende soorten. Platanen en linden domineren. Verder zien we de treurwilg, iep, es, acacia, grauwe abeel, ceder, berk, catalpa, esdoorn, treurbeuk, hemelboom, paardekastanje, kaukasische vleugelnoot, moerascipres en de matasequoia.
‘De schoone laan van 4 rijen boomen, die vrij kunnen uitgroeien, wijl zij naar beide zijden ver genoeg van de huizen verwijderd zijn, zal over dertig jaren een waar monument zijn.’
(G.J. de Jongh in 1905).
Aan de westzijde van de Singel is bij bepaalde percelen bepaald dat daarop “mogen niet anders worden gebouwd en gehouden dan heerenhuizen met tuinen; de open grond bij die huizen behoorende zal slechts als tuin mogen worden gebruik en nimmer ingericht tot of gebruikt als opslagplaats”.
‘De vele menschen die daar wonen, moeten een gelegenheid hebben om eens adem te scheppen en te wandelen’ (G.J. de Jongh in 1900).
‘Toen de wereld werd geschapen schiep God voor maatschappelijk geslaagden de Heemraadssingel’ (J.A. Deelder in 1990).
De singel als groene oase in de stad. Het aanpassen van je tempo als je langs de bomen en het water loopt. Dat had directeur Gemeentewerken G.W.J. de Jongh goed gezien in 1887.
Het gebied Heemraadssingel – Mathenesserlaan werd op 5 november 2014 aangewezen als beschermd stadsgezicht.
Het stuk van de Heemraadssingel tussen de Beukelsdijk en de 4-Ambachtstraat, doet me soms denken aan de Jardin des Tuileries in Parijs, tussen de Seine en de Rue de Rivoli.
De twee rijen statige platanen geven dit stuk Heemraadssingel kracht en elegantie, vooral als de zon door de lagen bladeren probeert door te dringen en op onverwachte plekken licht en schaduw laat zien maar ook als dikke plakken schors na een harde wind langs het water rollen.
De bomen hebben gehoord en gezien. Flarden van gesprekken van verliefde mensen, verwarde mensen met problemen, momenten van dronkenschap en energie. Het meisje in haar witte jurk die haar eerste serieuze kus weggeeft op hetzelfde bankje waar ze met haar moeder een ijsje at. Mijn buurman die jarenlang de dag begon met Tai Chi onder de grote treurwilg. Het orkest dat speelde bij de onthulling van de appels van Kees Fransen. De stervende reiger, de razende wolken, de bliksem die insloeg op nummer 198, de oude Chinese man met zijn witte poedel.
Kijken met ogen,hart en buik. Een moment zien ontstaan. Er is verlangen naar waarheid en schoonheid. Onverschilligheid bestaat even niet.
Het is een wonderlijk proces, alleen maar voelen, kijken, ruiken en luisteren. Een essay in beelden dat woorden overbodig maakt, alsof je je hersens opdracht hebt gegeven om te stoppen met denken.
Er komt adrenaline vrij zoals je die kan ervaren tijdens het hardlopen, bij hevige verliefdheid of een glas alcohol dat langzaam de geest laat waaien. Je kijkt en je ogen maken een kader. Moment, licht en compositie komen bijelkaar en je maakt een foto. Je kunt het meenemen en aan je vrienden laten zien.
Adèle was de reden om elke dag mijn camera mee naar buiten te nemen. Ik wilde proberen om haar vrolijkheid en melancholie vast te leggen. Ik zou willen dat ik haar ziel kon lezen en gerust kon stellen als ze droevig was.
Als Adèle me sneller dan geluid voorbijschoot en ik haar met mijn ogen probeerde te volgen zag ik hoe atletisch ze was en hoe haar smalle taille overging in haar romp en hoe ze haar kracht gebruikte om haar poten te laten excelleren. Met haar fijne reuk en wendbaarheid zo dicht op de aarde moet zij de dingen wel anders ervaren.
Met Adèle wandelen was altijd een feest, in zon en regen, in licht en donker. Mijn lieve, energieke en vrolijke model. Aan het maken van snapshots of poseren werkte ze graag mee. Maar waar zou zij naar kijken, wat zou zij vastleggen als ze zou fotograferen. Heb er wel eens aan gedacht om op haar koppie een filmcamera te monteren en daar dan later momenten uit te distilleren. Jaloersmakend materiaal zou het kunnen opleveren. Op zoek naar het innerlijke leven van Adèle, zonder de regels van beeldopbouw en esthetiek maar alles vanuit moment en vrijheid.
Het is zo mooi dit stuk van de stad en we keken allebei alsof we het nog niet eerder hadden gezien. Als een kind voor wie alles wonderlijk en nieuw is, als een hond voor wie alles spel en vrolijkheid is.